15 januari 2015

Het vliegtuig of een raketje

Drake Passage.
28 december 2014

Zeilen is eigenlijk een rare manier om je van A naar B te verplaatsen. En ik zal je uitleggen waarom. Woensdag 24 december vertrokken we voor onze tocht naar Antarctica. Daar waar de pinguïns keizer zijn en de walvissen ontelbaar, daar waar ijsformaties groter zijn dan welke mast ook, het enige continent vrijwel geheel bedekt met sneeuw en ijs.

Het schijnt echt heel erg indrukwekkend te zijn, dat Antarctisch gebied. Maar om heel eerlijk te zijn, zou ik nu liever in een café in het bruisende Ushuaia zitten dan hier typend achter mijn laptop in de salon van de Anne Margaretha. En dat heeft niks met Antarctica te maken, maar met het zeilen er naartoe. Ik zal heel eerlijk zijn, ik ben gewoon niet zo'n held met zeegang.
De eerste reis spendeerde ik de eerste twee dagen voornamelijk in mijn bed. Ik kwam natuurlijk net van land, dus dat ik er even in moest komen was niet verwonderlijk.
Maar na 4 weken aan boord zou ik toch echt al een beetje ingeschommeld moeten zijn. Of hebben die 5 dagen aan wal in Ushuaia mijn zeebenen weer totaal teniet gedaan? Al met al begon het spelletje gewoon weer van voren af aan.
Eerste kerstdag spenderen we in de baai van Estançia Harberton, een boerderij aan de kust langs het Beagle kanaal. Iedereen kon een wandeling maken, nog even de benen strekken en een kijkje nemen door de ramen van het museum aldaar (welke uiteraard dicht was op eerste kerstdag).
De 26e varen we via het Beagle kanaal richting Drake passage. Aan het einde van de middag varen we het kanaal uit en worden de golven aanzienlijk groter en neemt de zeegang toe. Ik lig nog in bed als ik eruit wordt gehaald om te helpen de stormfok op de te zetten. Windkracht 10 is net een krachtje teveel voor de gewone zeilen.  Stormfok op, alle riffen in de zeilen, motor bij om ons net dat extra duwtje door de golven te geven, koers naar Antarctica. En daarna weer terug op bed.

Om 4 uur begint mijn wacht. Als ik bij het ochtendgloren mijn bed uitrol, 3 lagen thermo ondergoed aantrek en mezelf op wonderbaarlijke wijze, al stuiterend door mijn hut mijn zeilpak in-hijs, vind ik in de stuurhut niemand anders dan de kapitein. De rest van mijn wacht (3 van de gasten aan boord) komen hun bed niet uit. Iedereen ligt plat. Heel soms komt er iemand richting stuurhut geschuifeld met een emmertje onder de arm. Maar meer dan hun emmertje legen kunnen we op dat moment niet voor ze doen. Als ze weer een uitgewassen emmertje terug krijgen, schuifelen ze weer terug richting hun hut en hun bed, want horizontaal liggen is op dat soort momenten gewoon het beste.
ondanks dat ook ik het liefste plat ga, kunnen we niet met zijn allen in bed gaan liggen, want dan komen we er nooit. Gelukkig leer ik ondertussen mijn zeeziekte aardig goed kennen en lukt het me heel goed om mijn 'reling momentjes' tussen de stuurbeurten door te timen. Alles komt er uit, alleen komt er echt niks meer in, zelfs een eenvoudig crackertje staat me tegen.
Vier uur op, acht uur af staan gelijk aan vier uur sturen (half uur op, half uur af) en acht uur op bed liggen, dag in dag uit. Na 24 uur niks meer te hebben gegeten, ben ik het zat. Ik besluit toch maar een zogenoemd 'raketje' aan de kapitein te vragen. Geen idee wat erin zit, maar het helpt wel. Na nog een paar uurtjes dutten voel ik me ineens de koning te rijk.


Het vervelende van dit alles is, dat op het moment dat je in die mooie baai voor anker ligt, eindelijk dat langverwachte land ziet of je tussen de pinguïns begeeft, je alles spontaan vergeten bent . Je leest het in vrijwel alle boeken die een zeilavontuur beschrijven. Ben je op zee wil je niets liever dan aan land zijn, ben je aan land verlang je terug naar die eindeloze, continu deinende zee. Ik zie het nu nog niet zo, maar over 2 dagen is hopelijk alles anders. Je vraagt je soms af waarom je niet gewoon het vliegtuig neemt...

Geen opmerkingen: